Stukjes

Haakjes

Op de middelbare school kende ik de zoon van een professor en die jongen vertelde eens dat Adriaan van Dis de avond ervoor bij ze op de borrel was geweest en helemaal lyrisch werd van een of ander kaasje dat ze aten terwijl dat gewoon een kaasje was van de markt in het dorp, ha ha ha. Wat een aansteller die Van Dis. O wat een súbliem kaasje waar hebben jullie dat vandaan? Nou gewoon van de markt in het dorp hoor, ha ha ha.

Dit was ergens in de eerste jaren van dat boekenprogramma en wij, de lulletjes die stonden te luisteren, vielen die jongen bij: wat een aansteller alsof het een of ander Olympisch Michelinkaasje is wat een blamage die Van Dis kun je toch niet meer serieus nemen?

‘Ik nam hem al niet serieus.’

‘Ik ook niet.’

‘Allang niet meer.’

‘Dus dat kaasje kwam letterlijk van de markt?’

‘Gewoon om de hoek.’

‘Daar kopen wij ook kaas.’

‘Prima kaas maar echt niet om helemaal van in katzwijm te flikkeren.’

‘Wat een zak die Van Dis.’

‘Echt een zak.’

Om Denis Johnsons beeld te gebruiken: er zitten tientallen haakjes in mijn buik met lijnen die leiden naar trollen die rukjes geven als ze willen dat ik me schaam, en dit is er een. Maar biecht ik ze op, dan ben ik ze kwijt.

Kleine moeite.